Hall of Awesomeness

Media, marketing, communicatie, fun

Ik heb het al vaker gezegd: één van de belangrijkste succesfactoren van een crossmediaal format is de mate waarin het publiek kan participeren, kan meedoen aan het format. Daar gaat de laatste zinsnede uit de definitie van crossmedia volgens Indire Reynaert, schrijfster van het Basisboek Crossmedia concepting over. “de participerende houding en het mediagebruik van de consument”. Henry Jenkins heeft een mooie Ted Talk gegeven over de “Participatory Culture”. Deze “culture” waarbinnen steeds meer mensen media produceren in plaats van alleen te consumeren. Die cultuur bestaat al een hele tijd, maar de opkomst van internet, met name web 2.0 en social media, heeft er voor gezorgd dat de groep participerende media-gebruikers enorm is gegroeid. En dat is van invloed op crossmediale formats, waarbij je juist op zoek bent naar de input van je gebruikers/kijkers/fans. Een handige, eenvoudige en laagdrempelige manier om mensen binnen je crossmediale format te laten participeren is social media en daar gaan we het vandaag (of wanneer je dit ook leest) uitgebreid over hebben. Maar ik trap het vierde Crossmedia college af met Jenkin’s TedTalk:

Quote du TedTalk: “In the ideal form of transmedial storytelling, each medium does what it does best – so that a story might be introduced in a film, expanded through television, novels and comics; its world might be explored by game play or experienced as an amusement park attraction.”
Als je op een crossmediale (transmediale, als je daar de voorkeur aan geeft) manier een verhaal vertelt, ge je de middelen zoeken die het beste in staat stellen datgene wat jij voor ogen hebt te bereiken. Wil je informatie overdragen, kan een boek daar een uitstekend medium voor zijn. Een film bekijken in een bioscoop zorgt voor extra beleving (al kan die beleving in veel gevallen ook de feestvreugde doen afnemen. Iemand nog een lekker, krakend zakje chips?). Wil je interactie aangaan met je publiek, is internet het meest voor de hand liggend (al zou bellen / SMS ook kunnen). Bij het eerste medium is de participatiedrempel laag, en de betrokkenheid van je publiek passief. Door mensen te laten participeren m.b.v. internet, is de drempel hoger, maar de betrokkenheid ook veel actiever. Dat is wat onderstaande figuur laat zien:
participeren

Drie niveaus van participatie

Volgens prof. dr. Joost Raessens zijn er drie niveaus van participatie. Ik zal ze hieronder kort uitleggen.

Interpretatie
Bij deze vorm van participatie geven gebruikers een eigen invulling aan een bepaald medium of een bepaalde dienst. In het boek wordt Twitter als voorbeeld aangehaald. Deze dienst vroeg je oorspronkelijk “Wat ben je aan het doen?”. Maar gebruikers zijn het medium anders gaan gebruiken. Het draait inmiddels niet meer om de vraag “Wat ben je aan het doen?” maar om de vraag “Wat gebeurt er op dit moment?”. De Crowd (wij met zijn allen op het web, de gebruikers van de diensten) bepaalt hoe de dienst wordt ingezet.

Twitter oud-nieuw

Een ander mooi voorbeeld is dat van de chipknip: dat ding op je chipknip is ooit bedacht om kleine bedragen af te rekenen in supermarkten en andere winkels. Ik weet niet hoe dat bij jullie zit, maar de laatste keer dat ik een klein bedrag in een winkel afreken met m’n chipknip was in ehhh…. Dat is dus nog nooit gebeurd. Maar ik gebruik mijn chipknip wel iedere week. Als ik ga parkeren. Enorm handig: nooit meer gedoe met kleingeld op zak hebben. Als ik een parkeergarage inrijd, open ik de slagbomen met m’n chipknip en ik doe hetzelfde als ik er weer uitrijd. Op drukke zaterdagen scheelt dat ongeveer 10 minuten wachten bij de betaalautomaat van de garage. Moet je natuurlijk wel genoeg geld op je chip hebben staan. (Goed moment om nog even publiekelijk excuses te maken aan die 8 automobilisten die laatst allemaal in de achteruit moesten bij de slagbomen van De Witte Dame in Eindhoven zodat ik weer terug kon en mijn chip op kon gaan laden). Mensen zijn de chipknip dus op een andere manier gaan gebruiken dan hoe die ooit was bedoeld. Ze geven er hun eigen draai aan, interpreteren hem op hun eigen manier.

Reconfiguratie
Bij de tweede vorm van particpatie geeft een gebruiker vorm aan zijn eigen plekje binnen een dienst of medium. Je kunt hierbij denken aan je Youtube-pagina, waarop je je eigen video’s kunt uploaden, of video’s van anderen aan je favorieten toe kunt voegen. Ook Facebook biedt ruimte voor Reconfiguratie: je kunt bijvoorbeeld je eigen apps plaatsen, foto’s uploaden of je eigen header bepalen. Ook de Look & Feel van dit weblog heb ik, met hulp van wat échte Nerds, aangepast. Ik plaats mijn eigen artikelen en zoek daar de afbeeldingen bij die ik zelf relevant vindt. Hetzelfde gebeurt natuurlijk op je *kuch* Hyvesprofiel, MobyPicture pagina, je Tumblr, etc.

Constructie
Wanneer gebruikers zelf nieuwe elementen aan bestaande diensten toevoegt, de diensten gaat “remixen”, spreekt men van Constructie. Je pakt twee (of meer) bestaande diensten, en je maakt er iets nieuws van. Twittervision is hier een mooi voorbeeld van. Volgens mij werkt de site zelf niet meer, maar de video hieronder geeft een moooi beeld van wat er gebeurt als je Twitter en Google Maps met elkaar combineert:

De drie vormen van participatie van Raessens laten zich goed vertalen naar de wereld anno nu:

Interpretatie wordt Wisdom of Crowds
Wij bepalen hoe een dienst wordt gebruikt. Dat geven we door aan andere gebruikers. We leren van elkaars wijsheid. Gebruikmaken van de aanwezige kennis binnen een grote groep mensen, noemt men ook wel gebruikmaken van “The Wisdom of Crowds”, naar het boek van James Surowiecki.

Reconfiguratie wordt User Generated Content
Gebruikers voegen zelf hun eigen inhoud toe aan een bepaald medium. Deze inhoud, of content, wordt meestal gemaakt zonder tussenkomst van professionals. Youtube staat er vol mee, net als Soundcloud.

Constructie wordt Co-creatie
Google heeft genoeg mensen in dienst om Google maps aan Twitter te koppelen. Maar dan moet je dat wel bedenken (en er business in zien). En al is de researchafdeling van Google nog zo groot, ze zouden nooit tegen de gecombineerde intellligentie, creativiteit en vaardigheden van de hele internet crowd op kunnen boksen. Bij co-creatie besteed je sommige delen van je productieproces uit aan The Crowd.

Crowdfunding
Een vierde vorm van participatie, die niet wordt besproken in het boek, is Crowdfunding. Bij crowdfunding vraag je internetters om een klein geldbedrag (en veel kleine bedragen bij elkaar opgeteld = de bankrekening van Mark Zuckerberg). Om je journalistieke productie (waar je krant of uitgever geen heil in ziet) toch te kunnen financieren kun je bijvoorbeeld gebruik maken van Nieuwspost. Heb je een briljant idee voor een film, maar ziet Warner Bros. dat toch heel anders? Pitch je verhaal op Indigogo en wie weet maak jij de volgende Blair Witch Project. Als je met je bandje de Peppi en Kokki studio op je zolder bent ontgroeid, kun je geld voor een professionele plaat ophalen via Sellaband. Wil je een horloge maken dat perfect communiceert met je mobiele telefoon, dan ben je te laat: Pebble heeft voor dit concept ruim 10 miljoen dollar opgehaald bij Kickstarter.

pebble

 

Wanneer zit er Wisdom in een Crowd?
Met een grote groep mensen kun je dus hele mooie doelen bereiken. Een groep mensen kan werk uit handen nemen, geld bijeenbrengen, creativiteit bundelen en oplossingen voor problemen bedenken. De gemeenschappelijke kennis van grote groepen internetters is enorm. Maar niet iedere groep mensen is geschikt om in te zetten bij een project. Als ik de mensen hieronder zou benaderen voor een antwoord op mijn vraag ben ik denk ik vrij kansloos. Aan welke voorwaarden moet een groep mensen voldoen, wil je optimaal gebruik kunnen maken van de aanwezige intelligentie?

rellen

• De meningen binnen een groep moeten divers zijn.
Als je als worstendraaier aan een groep hard-core vegetariërs vraagt of de Sipcy Chicken worst een mooie aanvulling zou zijn op je assortiment, kun je wel raden wat het antwoord zal zijn.

• De groepsleden onafhankelijk zijn en elkaar niet kunnen beïnvloeden.
Als je aan een groep studenten in de klas vraagt of de lessen die je hebt gegeven voor een goede voorbereiding op het tentamen hebben gezorgd, en de populairste student met de grootste mond dat totaal niet vindt en dat duidelijk laat merken, is het voor anderen lastig om met een afwijkende mening te komen.

• De groep gedecentraliseerd is, zodat mensen kunnen specialiseren en kunnen terugvallen op lokale kennis
Als je mensen in Amsterdam vraagt hoe we het huisvestingsprobleem in Nederland moeten oplossen, komen ze waarschijnlijk met andere suggesties dan inwoners van Sittard. Bij Wisdom of Crowds wil je gebruik maken van die verschillende inzichten.

• Alle afzonderlijke meningen kunnen worden geaggregeerd tot een conclusie
Al die verschillende meningen moeten jou natuurlijk wel bereiken. Hierbij kan internet een grote rol spelen. Vervolgens moet je al die verschillende meningen ook kunnen analyseren, zodat je tot een goede conclusie kunt komen. En ook hierbij kan internet je een handje helpen. Diensten als Surveymonkey of Thesistools bieden je de mogelijkheid om (bijna) gratis enquêtes af te nemen en analyseren.

Social Media

De komst van sociale media heeft de participatiecultuur onder mensen enorm aangewakkerd. Platformen als Vimeo, Youtube, Soundcloud, WordPress, Flickr, Instagram, Twitter en Facebook geven miljoenen mensen de mogelijkheid om hun creatieve uitspattingen te delen met de rest van de wereld. Zonder dat dat meteen duizenden euro’s hoeft te kosten. Voor het gemak voegen we vandaag sociale media en de term Web 2.0 maar even samen. Onderstaande animatie maakt duidelijk wat het verschil is tussen Web 1.0 en Web 2.0:

Web 1.0, ontstaan toen Sir Tim Berners Lee HTML en Hyperlinks uitvond, werd voornamelijk gebruikt om te zenden. Er waren wel wat handige jongens die hun eigen websites in elkaar konden zetten, maar de meeste bedrijven gebruikten het WWW zoals ze de eerdere massamedia inzetten: één boodschap sturen naar een grote groep mensen. Het zogenaamde “Read Only Web”. Web 2.0 stelt mensen in staat om zelf content te publiceren. Om te reageren op nieuwsberichten. Om vragen van anderen te beantwoorden en om te vertellen (en te laten zien) waar ze mee bezig zijn, wat ze fascinerend vinden, wat ze raakt. De collectieve intelligentie, al die kennis die over al die verschillende diensten is verzameld, is bij Web 2.0 hierdoor vele malen groter dan bij Web 1.0.

Web 1.0 vs Web 2.0

 

Social Media indelen

Er zijn veel bedrijven en personen die een indeling hebben gemaakt van alle Web 2.0 diensten. Je kunt kijken naar toepassing, hoeveelheid gebruikers, interactiviteit, enzovoorts. De indeling waarbij gebruik gemaakt wordt van de relatie van het sociale medium ten opzichte van het lozen van urine is geinig:

verschillende soorten social media

Maar de volgende verdeling, waarbij wordt gekeken naar toepassing, is in het dagelijks leven wellicht iets bruikbaarder. Je hebt diensten die draaien om communicatie (Twitter, weblogdienst Blogger, Meetup (waarmee je online een datum voor kunt stellen voor een date met een hele groep) en Tumblr zijn hier voorbeelden van), diensten waarbij collaboratie centraal staan (zoals vraag & antwoord site Quora, Wikipedia, sociale nieuwssites Digg en NuJij en een dienst als Delicious, waarmee je je bookmarks deelt met de rest van de wereld), diensten waarmee je je mediabestanden kunt delen met de rest van de wereld (Youtube, Vimeo, Instagram, Justin.TV(maak je eigen live videokanaal aan op het web), Pinterest en presentatie-deel-stek Slideshare bijvoorbeeld) en tot slot de sociale netwerken, waarmee je je relaties met vrienden onderhoudt, nieuwe mensen leert kennen of juist in contact komt met klasgenoten die je uit het oog was verloren. Nogmaals; er zijn heel veel manieren om social media onder te verdelen, maar deze indeling geeft een helder en beknopt overzicht van de meest gebruikte diensten.

soorten social media

Kernmerken Web 2.0

Over de verschillende kenmerken van het sociale web is ook al enorm veel gezegd en geschreven. Internet visionair Clay Shirky spreekt tijdens zijn TedTalk “How Social media can change History” bijvoorbeeld over de volgende 4 kenmerken:
1. Web 2.0 is wereldwijd: overal ter wereld heb je toegang tot de verschillende diensten en overal ter wereld worden nieuwe toepassingen van deze diensten bedacht.
2. Web 2.0 is goedkoop: 20.000 mensen een statusupdate versturen is vele malen goedkoper dan 20.000 mensen een postkaartje sturen. Web 2.0 is niet gratis. Denk daaraan bij het maken van een begroting. Als je als bedrijf gebruik gaat maken van Social Media, moet je ervoor zorgen dat je iemand in dienst hebt die daar tijd aan kan besteden. En tijd kost geld.
3. Web 2.0 is sociaal: #durftevragen, je oude schoolvrienden terugvinden via Facebook, je volgers op de hoogte brengen van gave websites. Allemaal voorbeelden van de sociale kant van Web 2.0.
4. Web 2.0 is alomtegenwoordig. Net als Sinterklaas op 5 december, overal aanwezig op hetzelfde moment. God is ook alomtegenwoordig. Hij ziet alles wat je doet, waar je ook bent. Om de alomtegenwoordigheid van Web 2.0 uit te leggen geeft Shirky het voorbeeld van een aardbeving in China. Terwijl deze nog plaatsvindt, verschijnen de foto’s en video’s al op het web en kan iedereen ter wereld live meekijken.

Doelgroep

Voordat je social media gaat inzetten bij je crossmediale format, doe je natuurlijk eerst onderzoek naar je doelgroep. Ik zou me kunnen voorstellen dat de gemiddelde kijker van Max Geheugentrainer een stuk minder behoefte heeft om via Facebook live bij het programma betrokken te worden dan de kijkers van BNN’s Proefkonijnen. En bij doelgroep-onderzoek denken de meeste studenten aan demografische gegevens als leeftijd, opleiding, inkomen, geslacht. Maar wat je natuurlijk echt wilt weten is hoe jouw doelgroep omgaat met social media. Wil je daar inzicht in krijgen, kan onderstaande tool van Forrester een handig hulpmiddel zijn. Forrster plaatst internetters op een van de 6 “treden” van hun social tchnographics ladder:

Je hebt de Creators, de mensen die zelf content creeëren, die websites maken, video’s uploaden, blogberichten plaatsen, etc.

De tweede trede wordt bezet door de Critics. Dit zijn de mensen die jou laten weten dat dat hotel in Marbella met dat mooie strand en dat grote zwembad in werkelijkheid is gelegen tussen een abattoir en een vuilnisbelt, en het zwembad ook dienst doet als open riool. De mensen die recensies achterlaten dus. Op websites als bookings.com, IMDB, BOL, Kieskeurig.nl, etc. Maar ook de mensen die reageren op blogs, die berichten achterlaten op Fora of mensen die een bijdrage leveren aan sites als Wikipedia.

Collectors, terug te vinden op trede nummer drie, zijn mensen die het web naar zich toe trekken. Door gebruik te maken van RSS-feeds. Podcasts ook. Het zijn ook mensen die het web “taggen”. Met #FEHT bijvoorbeeld. Zodat ze informatie later makkelijk kunnen verzamelen/aggregeren. Ze maken gebruik van diensten als Del.icio.us, Netvibes, Google Nieuws, etc.

Iedereen die een profiel heeft aangemaakt bij een van de vele netwerksites behoort tot de groep “Joiners”. Ze zijn natuurlijk veel te vinden op diensten als Facebook en LinkedIn. Het moge duidelijk zijn dat je op meerdere treden kunt staan. Al was het maar omdat je twee benen hebt.

Spectators staan op de een na onderste trede. Het is volgens de tool hieronder de grootste groep in Nederland: 64% van de Nederlanders behoort tot deze groep. Spectators kijken video op Youtube, lezen blogberichten, downloaden podcasts, lezen fora en checken reviews op het web. Ze consumeren dus vooral.

Onderaan vind je de inactives. Dat zijn de mensen die niet één van bovenstaande zaken doet op het web. Je oma wellicht. Of misschien wel een voormalig premier.

Kleine disclaimer: de tool is echter geen alomvattend antwoord op de vraag hoe jouw doelgroep zich beweegt op het web. Daarvoor kun je natuurlijk onderzoek doen in de statistieken van je website, enquêtes afnemen onder je doelgroep en/of bezoekers, enzovoorts. Maar de widget geeft je wel een beetje inzicht in hoe actief de mensen die jij met je crossmediale format wilt bereiken zijn op het sociale web.

Honingraatmodel

Stel je voor dat een opdrachtgever bij je binnenloopt (meestal andersom) die je vraagt om advies bij het kiezen van de middelen die hij wil inzetten op het sociale web. Waarop baseer je je advies dan? Natuurlijk spelen zaken als bereik van het medium en acceptatie binnen de doelgroep mee. Maar je baseert je keuze op meer gegevens. Bijvoorbeeld op de uitkomst van een ingevuld “honingraatmodel. Het model is bedacht door Gene Smith en geeft inzicht in de toepassingen van verschillende social media. Het geeft dus antwoord op de vraag “Wat kun je ermee?”

honingraatmodel sociale web

De cellen die niet relevant zijn voor een medium laat je leeg, cellen die wel van toepassing zijn geef je een kleur. Cellen die het meest relevant zijn, krijgen een donkere kleur mee. Hierdoor ontstaat bijvoorbeeld het volgende model voor Twitter:
honingraatmodel twitter

Controle?

Als je je opdrachtgever wilt adviseren om gebruik te gaan maken van een of meerdere diensten, vertel hem dan ook dat hij een deel van de regie uit handen geeft. Hij zal moeten accepteren dat hij geen 100% controle heeft of kan krijgen over een sociaal medium. Je hebt niet in de hand wat mensen in jouw comments zeggen (al kun je vaak wel modereren, maar dat is achteraf). Je kunt niet altijd voorkomen dat je werknemers bepaalde zaken roepen op het web. En wat mensen waar je geen connectie hebt op het web schrijven is al helemaal niet te bepalen. Maar dat je weinig controle hebt, wil nog niet zeggen dat je als bedrijf weg moet blijven van social media. Het is natuurlijk niet zo dat als Albert Heijn niet op Facebook zit, er geen foto’s van ratten in het filiaal meer geplaatst worden. Dat is gewoon je kop in het zand steken. Het minste wat een bedrijf kan doen, is monitoren hoe over je wordt gesproken. Met behulp van diensten als Tweetdeck of Hootsuite bijvoorbeeld.

In de praktijk kun je spreken van 3 niveaus waarop een bedrijf in meer of mindere mate invloed/controle kan uitoefenen. De meeste controle heb je als bedrijf natuurlijk over je corporate account. Op @shell twittercaaount zul je niet zo snel links terugvinden naar kritische artikelen over de rol van Shell bij de olievervuiling in Nigeria. Eerder links naar berichten over jaarcijfers, berichten over groene projecten waarin Shell investeert of wellicht een link naar een documentaire die laat zien hoe oliedieven in Nigeria te werk gaan. Maar ook met dit account kunnen zaken verkeerd gaan. Social Media bijhouden blijft voorlopig namelijk nog even mensenwerk. Een verkeerde foto, document dat toch geheim moest blijven, een uitspatting van een chagrijnige helpdeskmedewerker die een off-day heeft kunnen natuurlijk met een paar toetsaanslagen worden gepubliceerd. Dus ook op dit level géén 100% controle. Maar je kunt wel een strategie bedenken, en antwoord geven op vragen als:
– Houden we ons account 24/7 bij of alleen tijdens kantooruren?
– Hoeveel berichten plaatsen we per dag/week/maand?
– Hoeveel mensen houden het account bij?
– Hoe snel reageren we op vragen?
– Hoeveel tijd steken we erin?
– Wat zijn onze doelstellingen? Hoeveel followers, reacties, retweets, etc. willen we behalen?
– Hoeveel goede ideeën willen we ieder jaar aangedragen krijgen via social media?
– enz.

Op het tweede level vind je de accounts terug van mensen waar je wel een bepaalde band mee hebt. Je werknemers bijvoorbeeld. Of klanten. Je studenten, volgers, leden, leveranciers. Mensen die je kent en die je enigszins kunt sturen. Nogmaals: geen 100% controle. Zo kun je je klanten bijvoorbeeld 5% korting geven als ze een bericht naar 100 vrienden doorsturen. Of kun je met je werknemers afspraken maken over het gebruik van Instagram op bedrijfsfeesten (of ze zich eraan houden is een tweede). Vragen die je je bij dit niveau stelt zijn:
– Hoe gaan we om met twitterende medewerkers?
– Welke informatie mogen onze werknemers wel en niet delen met hun netwerk?
– Hoe stimuleren we het gebruik van Social Media bij het voorbereiden op tentamens?
– Op welke manier kunnen we onze klanten verleiden om ons merk te promoten?

Op het 3e level zitten de accounts waar je de minste controle over hebt. Bosch kan echt niet voorkomen dat ik hier vertel dat het de slechtste stofzuiger heeft gemaakt die ik ooit ben tegengekomen. Waarvan de stofzak gewoon niet goed aansluit op de stofzuigerslang, waardoor er meer vuil in de motor belandt dan in de stofzak. En dat voor een apparaat waar ik gvd 230 euro voor heb betaald. En dat ik na 13 maanden gewoon weer een Miele heb gekocht. Want die doet het wel gewoon altijd goed. Bovendien hebben ze ook geen invloed op het feit dat ik nu vertel dat hun espressoapparaat dan wel weer reuzegoed werkt. Maar nogmaals: of je als bedrijf nou wel of niet gebruik gaat maken van social media, deze berichten zullen toch wel geplaatst worden. Kun je er dus maar beter voor zorgen dat ze je wel bereiken.
– Hoe gaan we om met kritiek? En met trollen en zeikerds?
– Hoe zorgen we ervoor dat we negativiteit kunnen omzetten naar een positieve sfeer?

Hieronder de 3 niveau’s van controle in een schema weergegeven:

social media levels van controle

 

Weblogs

Hoofdstuk 4 van het basisboek crossmedia concepting bespreektnog twee tools die kunnen bijdragen aan online co-creatie, namelijk weblogs en mash-ups. Wat een weblog is weet je natuurlijk wel. Zo niet, kijk dan nog even heel goed rond op deze website. Er zijn verschillende soorten blogs: corporate blogs, waarmee bedrijven als Spil Games hun bezoekers op de hoogte houden van relevante zaken voor en nieuws over het bedrijf, zonder tussenkomst van andere media, special interest blogs als Molblog of Marketingfacts, persoonlijke blogs (life blogs, reis blogs), gesponsorde blogs, die betaald worden door bijvoorbeeld een merk of omroep, en microblogs waartoe Twitter en Tumblr gerekend kunnen worden. Blogs bestaan al een tijd en blijven redelijk populair. Dat komt door de volgende factoren:
• veel gratis aanbieders van weblogsoftware (dit blog is gemaakt met de fantastische tool die WordPress heet)
• weblogs zijn makkelijk vindbaar via zoekmachines
• weblogs geven mensen binnen 5 minuten een eigen kanaal waarmee ze hun mening kunnnen geven over bepaalde zaken, en met weinig middelen een publiek kunnen bereiken
• content plaatsen makkelijk is en op ieder moment van de dag kan gebeuren
• het “wij” gevoel dat heerst bij veel bloggers (maar niet zozeer bij ondergetekende)

Mashups

Mashups komen oorspronkelijk uit de muziek. Het is de benaming voor het door elkaar mixen van twee nummers. Dat kan verrassende muziek opleveren, zoals onderstaande video laat zien:

Maar hetzelfde kun je ook doen met twee of meer video’s:

Zo rond 2005 begonnen steeds meer bedrijven een “achterdeur” te maken voor hun diensten, waarmee externe partijen toegang kregen tot bepaalde delen van die techniek. Deze “API’s” stellen programmeurs in staat om door te ontwikkelen op bepaalde onderdelen van Facebook bijvoorbeeld. Of ze zorgen ervoor dat handige mensen 2 of 3 diensten met elkaar verbinden (zoals is gebeurd bij Twittervision). Door die achterdeur open te stellen, kunnen de mooiste formats ontstaan. Al was het maar omdat je gebruik maakt van de collectieve creativiteit en kunde van The Crowd.

Er zijn vier soorten mash-ups:
• Combineren; waarbij verschillende soorten gegevens uit verschillende bronnen worden gecombineerd. Een mooi voorbeeld is wat de VPRO jaarlijks doet/deed bij Lowlands
• Verzamelen; waarbij gegevens uit verschillende bronnen worden samengevoegd tot een grote lijst (denk TV-gids.nl waarop informatie van verschillende programma’s op 1 site worden gepresenteerd)
• Zoeken; dit vind je terug op websites als kieskeurig.nl, waarop de prijzen van bijvoorbeeld een bepaalde wasmachine van AEG bij verschillende aanbieders worden weergegeven zodat bezoekers makkelijk kunnen vergelijken
• Aggregeren; hierbij worden gegevens uit een aantal bronnen bij elkaar gevoegd, al dan niet met behulp van een filter. In zoverre anders dan verzamelen dat er hierbij geruik wordt gemaakt van een gestandaardiseerd formaat als RSS. Een voorbeeld hiervan is Netvibes.

De VPRO heeft zelfs een app ontwikkeld waarmee gebruikers zelf mee kunnen helpen aan de vastlegging van concerten. De VPRO zorgt voor het geluid, de bezoeker voor de video. Check onderstaande clip maar eens.
.

Wil je meer weten over mash-ups? Check dan natuurlijk het lesboek, maar kijk ook eens naar onderstaande documentaire: RIP, a remix manifesto.

Tot de volgende keer!

Bekijk ook de andere colleges Crossmedia:
1 – Inleiding
2 – Vijf speerpunten van een crossmediaal concept
3 – Conceptontwikkeling

Share Button
Categories: Colleges, Home

3 Responses so far.

  1. Michelle V. says:

    Superhandige info (in alle colleges) over de stof van Crossmedia met duidelijke voorbeelden! Daar heb ik wat aan 🙂

  2. Barend Kaas says:

    Hi Michelle,

    Top! Daar doe ik het voor. Als je nog vragen hebt…

    Groeten!
    Berend

Leave a Reply